I received a telephone call  from mister Simon van der Kraan who worked at the factory for over 40 years.

(He asked me to place a description on the site, which they used a lot at the factory....."Aardewerk is paardewerk" - "Eartenware is horseswork" - which means een enormous amount of work for low pay. The productionproces against the sales took 80 to 90 percent of the costs, so the profits where very low).



Ik kreeg een telefoontje van de heer Simon van der Kraan die zo’n veertig jaar voor de fabriek heeft gewerkt (magazijn en verkoop). (Hij vroeg me een opmerking te vermelden die vaak gebruikt werd in de fabriek......"Aardewerk is paardewerk" - wat betekende dat de winst tegen de kosten van het productieproces enorm laag was. De winst was slechts tien tot twintig procent van de verkoopwaarde). 





Luckily I came in contact (by means of her son who found this internet site) with Linda Pouw, the youngest daughter of the former chef of the painters room Wim Pouw (he died in 1994). She could tell me some things about her father and some of his colleagues and also sent me some pictures of his work and daytrips with the factory – These photographs are on the photograph page and are marked with WP. If you would like to know more about certain pictures, just double click them.

Wim Pouw has worked for many years at the factory as painter and chef of the painters room and produced some splendid art objects. Since the salaries in that time weren’t very high, he supplemented his income by painting at home too. He used paint cans under the legs of the kitchen table to lift one side up and had a bright light above it for the fine lines. For his family not very sociable. Because of the many extra hours, it went wrong on many occasions and was frequently late at work. Then he often forgot his lunch, which one of the children then had to bring to the factory. The children were often teased at the factory, because they had to deliver the lunch at his desk at the end of the painters room, where he would sit as chief of the painters. Linda also had to do this quite some times and can still remember the smell of the factory and that room. Wim Pouw had a love of roses and grew them in a personal garden (even won a gold medal for growing a different kind); some of this can be found in his work (- His oldest daughter Carla has inherited the same ability in drawing and painting -) . Of this he has made four wall plates (one for every child), of which there are three without a rim and one with a rim (see pictures). Besides these wall plates and the work for the factory, he has also painted a large vase set for the 40 year marriage jubilee of his sister (now owned by Linda), birth plates for the children, a communion tile for his son Ger, a cabinetset for the marriage of his daughter Christine and a lot of other works of art. His love and passion for his work are clearly visible in the art work that he has manufactured.




Gelukkigerwijs ben ik (via haar zoon die de website heeft gevonden) in contact gekomen met Linda Pouw, de jongste dochter van voormalig chef van de schilderszaal Wim Pouw (hijzelf is overleden in 1994). Zij heeft mij het een en ander over hem en directe collega’s van hem kunnen vertellen en heeft enkele foto’s van hem, van dagjes uit en van door hem geschilderde kunstwerken aan mij toegezonden. - Deze foto’s zijn terug te vinden op de foto pagina’s en gemarkeerd met WP. Om meer te weten te komen over bepaalde foto’s kunt u op de foto zelf dubbelklikken -.

Wim Pouw heeft jaren op de fabriek gewerkt als schilder en chef van de schilderszaal en prachtige kunstvoorwerpen voortgebracht. Aangezien de salarissen in die tijd niet erg hoog waren, heeft hij ook nog aardig wat thuis gewerkt om bij te verdienen.

Hij had dan potjes verf onder de tafelpoten gezet aan een kant, zodat de tafel kon dienen als schildersezel en een groot licht er boven voor de fijne lijntjes. Voor zijn gezin uiteraard niet zo gezellig. Door de vele extra uren liep het in de ochtend nog wel eens mis en was hij vaak te laat op het werk. Dan vergat hij nogal eens zijn pakje brood, welke een van de kinderen dan op de fabriek moest langsbrengen. Hiermee werden ze door de aanwezige schilders een beetje gepest, vooral omdat ze de hele schilderszaal door moesten aangezien Wim de zaal voorzat als chef.

Ook Linda heeft dit vaak gedaan en weet zich de aparte geur op de fabriek nog te herinneren.

Wim Pouw was een fervent rozenkweker en liefhebber (heeft er zelfs nog een gouden medaille onder beroepskwekers mee gewonnen) en liet dit in persoonlijk werk terug komen. (- overigens heeft zijn oudste dochter Carla het tekenen en schilderen van hem geërfd -)Hiervan heeft hij vier borden gemaakt (voor ieder kind een), waarvan er drie zonder een rand en eentje met een rand (zie foto's op fotopagina 3).

Buiten deze borden en het werk voor de fabriek, heeft hij ook een grote vaas geschilderd voor het 40-jarig huwelijks jubileum van zijn zus (in het bezit van Linda), geboortebordjes voor de kleinkinderen, een communietegel voor zijn zoon Ger, een vazenset voor het huwelijk van zijn dochter Christine en nog vele andere zaken.

Zijn liefde en passie voor zijn werk zijn duidelijk zichtbaar in de kunstwerken die hij vervaardigd heeft.


NICO KOELEWIJN  (wrote this himself ! , sent to me by Rob his Son...Thanks Rob !!)



I’m Nico Koelwijn, born in Voorhout on the 31st of December 1928. Between jobs (as a house painter for instance) I went to the Royal Academy of Art in The Hague. In 1947 I had a meeting with Mr. Van Vliet who told me at that point that there would be no painting on the porcelain or earthenware. In May 1948 an agency in Leiden sent me to the Velsen factory in Sassenheim to talk to Mr. Van Vliet and mr. L. de Vrind. We came to terms quickly. I painted a stork with a baby on a coffee mug (still got it) en got hired immediately. I started as an earthenware painter the next Monday. I was the first painter in service of the Velsen company in Sassenheim. Mr. Van Vliet and Mr. De Vrind taught me how to profile (making the rims on plates, cups and saucers). For this I received my first turn plate, that I’m still using to this day. With these gentlemen I learned fast. Within the first year some Gouda painters were hired. At that moment the city of Sassenheim was building houses and the painters could move and live in Sassenheim (1952/1953). The first one was Eldert Bruyniks. This man taught me how to paint the “real” Delft Blue. Drawing was my hobby and painted became my trade. In those days there was a lack in earthenware and especially Delft Ware. Everything was made in Delfts – Red-Green-Blue-Sepia (brown) and Polychrome. It all went like crazy. My first painters boss was Gerrit Bunschoten, later on Joop Slinger, Jan van Leeuwen and then Wim Pouw. I became a specialist in city sights, landscapes and “heads” of the old masters. I wasn’t in the “Bideaux-system”, because I only did the special assignments. At that time the factory in Sassenheim had 37 painters and about 10  in a Gouda workplace. Besides that a lot was done at home. After 30 years of “Velsen” I left with Piet Verhoeven and Jaap van Doorn (see picture) to another company “De Leidsche Fles” (I designed the logo). The employer was Lou Guldemond. That company was at first based in Oegstgeest and later on moved to Leiden (first at the Morsweg and then to the Breestraat). I’ve worked there for ten years. Of these ten years I’ve worked from home for about three and a half years. After the factory was taken over and the new employer died, the company seized to exist and I was out of a job. At the request of Mayor Kret of Sassenheim I went on painting at home and up till now I’m still using my paintbrushes for painting earthenware.


The factory…

In 1949 Velsen started to produce painted earthenware and from 1950 the first numbered vases were sold (1001-1002-1003). These numbered products went up with the years to about 1800. You could find a numbered list in the painters hall. There were envelopes in boxes with ponsives (a ponsive is a piece of see-through paper with tiny holes for charcoal lines). The decoration was made by the master painter and then I made a pensive of that. The ponsives were folded around the object to be painted and then taped to the object. With a small bag with charcoal powder the ponsive was tapped on the “biscuit” (one time baked product) to outline the drawings. This was done on all the items to get an uniform product like the model the salesmen (also called “the travellers) showed to shops. At a later stage they also started to use numbers below the 1000. My job as a ponsive maker was taken over by Jan de Winter and I got the opportunity to work on tile tableaus (booklet under number T013/815 – sorry haven’t got that in my collection……). I made the clouded skies which later on were also used in Gouda and Delft. The decorations were made by painters like J. Slinger, J. Müller, S. Bitter, J. van Leeuwen, G. Bunschoten, L. Bruyniks en Wim Pouw. The old masters on plates and tableaus were mostly made by J. van Doorn and myself (Nic. Koelewijn). The city- and landscapes were mostly made by Wim Pouw, Jan van Leeuwen and Me. Portraits by Wim Pouw and Me and the very large vases by Marian Sobus and Wim Pouw. The managers were Leen Marbus and later on Dick Dorresteijn.


Hope to have been of some service, signing in highest regard,





NICO KOELEWIJN  (zelf geschreven ! , doorgestuurd door zijn zoon Rob...bedankt Rob !!)




Ik ben Nico Koelewijn geboren in Voorhout op 31-12-1928. Tussen enkele baantjes o.a als huisschilder door ben ik naar de Koninklijke Kunstacademie aan de Prinsessengracht te Den Haag gegaan. In 1947 heb ik een gesprek gehad met dhr. Van Vliet en toen heb ik te horen gekregen dat er niet geschilderd werd op aardewerk. In mei 1948 werd ik door het arbeidsbureau Te Leiden naar Van Velsen Sassenheim gestuurd voor een gesprek met L. de Vrind en H. van Vliet. We waren het snel eens. Ik schilderde op een beker een ooivaar met baby (deze beker heb ik nog steeds) en werd meteen aangenomen en kon de maandag direct daarop als aardewerkschilder beginnen. Ik was de 1e schilder in dienst bij Van Velsen Sassenheim. De heren Van Vliet en De Vrind leerde mij profileren (randjes zetten op borden, kopjes, schoteltjes e.d.). Hiervoor kreeg ik een draaischijf, die ik heden ten dagen nog steeds gebruik. Tussen deze 2 heren leerde ik snel. Binnen 1 jaar werden enkele Goudse schilders aangenomen. Aangezien de gemeente Sassenheim huizen liet bouwen, konden deze mensen in 1952/1953 ook in Sassenheim komen wonen. De eerste was Eldert Bruyniks. Van deze man heb ik het “echt” Delfts Blauw leren schilderen. Tekenen was mijn hobby, schilderen werd mijn vak. Er was gebrek aan aardewerk en aan Delfts Blauw in het bijzonder. Er werd toen van alles in het Delfts gemaakt, rood-groen-blauw-sepia-polychrome. Het ging er allemaal in als koek. Mijn 1e schildersbaas werd Gerrit Bunschoten, later Joop Slinger, opgevolgd door Jan van Leeuwen en toen Wim Pouw. Zelf werd ik speciaal schilder vanwege stadsgezichten en landschappen en ‘koppen” van Oude Meesters. Ik zat niet in het “bidaux systeem”, omdat ik alleen speciaal werk kreeg. Er waren toen 37 schilders in de fabriek te Sassenheim en ook nog een 10-tal in een atelier te Gouda en er werd ook veel huiswerk gemaakt. Na 30 jaar “Van Velsen” ben ik met Piet Verhoeven en Jaap van Doorn naar een nieuwe aardewerkfabriek gegaan “de Leidsche Fles” (het logo zelf ontworpen). De werkgever was Lou Guldemond. De “fabriek” was eerst gevestigd in Oegsgeest en later naar Leiden verhuist, eerst op de Morsweg daarna naar de Breestraat. Hier heb ik in totaal 10 jaar gewerkt. Van deze 10 jaar heb ik 3,5 jaar thuis gewerkt. De fabriek werd overgenomen en na het overlijden van mijn nieuwe werkgever stopte de “Leidsche Fles” met bestaan en ik kwam zonder werk. Op verzoek van burgemeester Kret te Sassenheim werd mij verzocht mijn werkzaamheden thuis door te zetten en tot op heden gebruik ik mijn penselen nog steeds voor het schilderen van aardewerk.



In 1949 werd er pas aardewerk beschilderd bij “Van Velsen” en in 1950 kwamen de eerste genummerde vaasjes in de handel-1001-1002-1003. Deze genummerde producten zijn in de loop der jaren opgelopen tot ongeveer 1800. Er was een lijst van nummers in de schilderzaal aanwezig. Er werden enveloppen met daarin de ponsieven in dozen gedaan. Op de enveloppen stonden de nummers van deze producten. Van 1001 tot 1050 in een doos en van 1050 tot 1099 in een doos, enz, enz.. De decoratie werd door de chef schilder gemaakt, daarna werd het door mij “Nico Koelewijn” een ponsief van gemaakt. Ponsieven zijn doorzichtig papier, waarin gaatjes werden geprikt, rond het te beschilderen model gevouwen en vastgeplakt. Met een “stuif”zak met houtskool werd op deze wijze het patroon op het te beschilderen “biscuit” (fabriekstaal: biskie=1x gebakken aardewerk) aangebracht, zodat alle te beschilderen producten er hetzelfde uitzagen als het model. Waarmee de reizigers (lees vertegenwoordigers), de winkeliers of de groothandel mee bezochten. Er is later ook gebruik gemaakt van nummers onder de 1000. Later werd jan de winter ponsieven maker. Ik zelf mocht mij uitleven op tegeltableau’s, zie in boekje nummer T013/815 (sorry…niet in mijn collectie), zie hierbij de wolkenluchten, die later in Gouda en delft werden overgenomen. De decoratie is later door diverse schilders gemaakt, o.a. J. Slinger, J. Müller, S. Bitter, J. van Leeuwen, G. Bunschoten, L. Bruyniks en W. Pouw. De oude meesters op borden en tableau’s zijn veelal gemaakt door J. van Doorn en mij (Nico Koelwijn). De stadgezichten en landschappen door Wim Pouw, Jan van Leeuwen en mij (Nico Koelewijn). Portretten door Wim Pouw en mij (Nico Koelewijn). De hele grote vazen door Marian Sobus en Wim Pouw. Bedrijfsleider waren Leen Marbus, later opgevolgd door Dick Dorresteijn


Hopend u van dienst te zijn geweest, teken ik hoogachtend.






Bart Lardé

(Wrote this himself and delivered it in person with his lovely wife Paulien. Also gave me a couple of pictures and a booklet of Velsen – and two great presents -… we’ve had a wonderful time !!!)


I started in 1960 as an apprentice with “The Earthenware Factory” as called by everyone in that time. – in the 50’s a cousin worked at the factory as a painter (Bart Stigter), so I knew there was a earthenware factory in Sassenheim -. In the beginning I always took the bus from Leiden to Sassenheim (nr. 50 N.Z.H.), together with other employees from Leiden (Nico Turenhout – painter – and Jan Pracht – pourer -).

To learn the trade, you had to get handy with a pencil and a line-brush. I never saw it as an art form, but to an outsider it probably is….

Trying your best for weeks on broken pieces of pottery and ripped plates. Simple flower motives drawn with a pencil, you were allowed to do over again in paint.

The line-brush was called a puller (you pulled it over the earthenware to make a single line) and it was the most important brush for painters, which was hand carved by the manager of the painters (Mr. Van Leeuwen).

It took a lot of time getting the right colour Blue by using different amounts of water.

Especially the “hitting of leafs” (painting the green leafs) took a great deal of practicing.

In most cases you could identify the painter by the decorations of leafs.

I liked the job very much, because of the amount of different models. The bigger and mostly heavier work often went to the more experienced painters. Some vases were so large, you had to stand at the desk to paint them.

Even in those days – the early 60’s – a battle was going on between smokers and non-smokers in the painting hall.

The smokers used to smoke at their desks (there was no term for “a smoke free workspace”). The non-smokers didn’t want to be bothered by the smell and smoke and opened small glass window strips in the doors….but the smokers would close them as soon as they were opened, because they felt a cold draft in their necks !! And so everyone smoked together…..

The work staff was a mix of old and young.

When you started to work there, you either worked there for very long or you were gone in no-time…. Some of the painters changed work places after a while within the factory (went to storage, pouring or glazing – had enough of the work itself). A great deal was painted at the factory – not only Delft Blue, but also Red, Green and Polychrome.

The factory also had a work shop in Gouda, where they also painted the earthenware. The pottery items were brought to the work shop with a small van of the factory and then also returned to the factory.

A lot of the polychrome earthenware went to Belgium, to an importing client (Willems).

The driver of the company van (Ben van Winsen) made quite a lot of miles….

After I took a time out of a couple of years (late 60’s), I returned to the factory. That’s when I met my wife (Pauline Kokshoorn) who also was a painter at the factory.

We have worked together for a couple of years.

The wages at the earthenware factories were – against other professions – very low. The work hours were long (daily from 08.00 until 17.30 – and a half hour lunch break). This profession holds the title for having the longest six-day work week (Saturdays from 07.00 until 12.30).

The union told us the number of employees was to small to make a fist in negotiations.

The biggest part of our labour force worked at the work shop in Gouda and there were lots of large and smaller earthenware companies there.

( To get more income I left (around 1976) and became a house painter – what I was trained for at school).



Bart Lardé  

(Zelf geschreven en bij ons afgegeven samen met zijn vrouw Paulien !! – samen met twee presentjes, een lading foto’s en een boekje over Velsen....wij vonden het heel erg gezellig !!)


In 1960 ben ik begonnen als leerling schilder bij “De Aardewerk Fabriek” zoals het altijd genoemd werd door iedereen in die tijd. – In de jaren ’50 heeft er een neef van mij gewerkt als schilder (Bart Stigter), waardoor ik wist dat er een aardewerk fabriek was in Sassenheim-.

De eerste tijd ging ik met de bus van Leiden naar Sassenheim (lijn 50 N.Z.H.), samen met andere werknemers uit Leiden ( Nico Turenhout – schilder – en Jan Pracht – gieter -)

Om het vak onder de knie te krijgen moest je potlood en penseelvaardigheid leren.

Ik heb het nooit gezien als een kunstvorm, wat voor een buitenstaander misschien wel zo is. Weken lang oefenen op kapotte stukken aardewerk en gescheurde borden.

Eenvoudige bloemmotieven met potlood die je – als het lukte – met verf mocht overtrekken.

Dit penseel heet dan ook heel toepasselijk een “trekker”  en was ook het belangrijkste penseel, welke door de chef van de schilders (dhr. Van Leeuwen) werd gesneden.

Het kostte veel tijd om de verschillende tinten blauw aan te brengen door middel van al dan niet toevoegen van water aan de verf.

Het zogenaamde “blaadjes slaan” (aanbrengen van de blaadjes) werd veel geoefend.

Je kon de schilder vaak herkennen aan de manier waarop hij/zij de decors voorzag van zijn /haar blaadjes.

Ik vond het vooral leuk werk, omdat er heel veel verschillende modellen waren. Het grote en zware werk ging vaak naar de schilders met de meeste ervaring.

Er waren vazen bij, waar je bij moest staan om te kunnen schilderen.

Toen al – begin jaren ’60 – werd er een strijd gevoerd over het roken op de schilderszaal.

De rokers rookten op hun werkplek (de term “rookvrije werkplek” was nog niet uitgevonden..). De niet-rokers wilden natuurlijk de rooklucht verdrijven en openden schuif-ruitjes in de deuren….maar de rokers deden die dan weer dicht, omdat ze het vonden tochten in hun nek !! En zo rookte iedereen gezellig mee……..

Het schilderspersoneel bestond uit een mix van jong en oud.

Als je daar kwam werken, dan bleef je ook voor heel lang of je was al snel weer weg. Een aantal van de schilders gingen na verloop van tijd elders in de fabriek werken (magazijn, gieterij of glazuren – even uitgekeken op het schilderen).

Er werd heel wat werk geschilderd – niet alleen in Blauw, maar ook in Rood/Groen of Polychroom.

In Gouda was er een atelier, waar ook geschilderd werd. Het werk werd dan gebracht en gehaald met een busje van de zaak.

Veel polychroom aardewerk ging naar België, waar een grote klant (Willems), het importeerde. De chauffeur (Ben van Winsen) heeft daarvoor heel wat kilometers gemaakt.

Nadat ik (eind jaren ’60) een aantal jaren ben weggeweest, keerde ik toch weer terug. Toen heb ik ook mijn vrouw (Pauline Kokshoorn) leren kennen, die daar ook als schilderes werkzaam was.

We hebben gezamenlijk nog een aantal jaren daar gewerkt.

De lonen in de aardewerk fabrieken zijn – in verhouding tot andere beroepen – altijd laag geweest. De werkweken waren lang (dagelijks van 08.00 tot 17.30 uur, met een half uur pauze). Wij waren een bedrijfstak die het langst op zaterdag hebben gewerkt (van 07.00 tot 12.30 uur). De vakbond zei altijd dat de groep werknemers te klein was om een vuist te maken in de onderhandelingen. De grootste groep arbeiders werkte hoofdzakelijk in Gouda en daar waren ook een aantal grote en veel kleine bedrijven te vinden.

(Om meer inkomsten te genereren, ben ik (ongeveer in 1976) aan de slag gegaan als huisschilder – waar ik ook via de L.T.S. voor was opgeleid -).





Joop van der Luit

(Received this in an Email from him !!!)


I started in 1950 at the age of twelve (through my neighbour) and worked at the factory on the Wednesday afternoons and the Saturday mornings.

The chief painters were Joop Slinger and Roel van der Heuvel.

When I left school I worked full time in the production process. On a Sunday in 1953 we had a huge fire at the factory and we moved temporarily to a café at the Warmonderdam (Café Juffermans), where the chief painter was seated at the bar….that was something to remember. In 1957 I had to do my military duties and returned at the Velsen pottery in 1959. From 1960 to 1962 I worked at the pottery factory of “De Drie Klokken” (The Three Bells) of Koen Jansen.

I did a lot of Gouda painting at home for a Gouda company. After this I started for myself in Hillegom as “De Pottenbacker” (The Potter)  and also sold some earthenware by Velsen in my shop. During this time I used to paint for the velsen pottery too (as a painter you had some extra jobs in those days). I have worked with pleasure for the Velsen pottery.


At this moment I’m busy with creating an exposition of some of my painterswork with the theme of farmhouses. (Info will follow…)


J. van der Luit.



Joop van der Luit

(Ontvangen per Email van hemzelf !!!)


Ik ben in 1950 op twaalfjarige leeftijd begonnen (via mijn buurman) en werkte op de fabriek op de woensdagmiddagen en op de zaterdagmorgen.

Mijn chefs in de schilderszaal (boven) waren Joop Slinger en Roel van der Heuvel.

Toen ik van school kwam deed ik al volledig met de productie mee.

Op een zondag in 1953 hebben we een grote brand gehad en werden we tijdelijk verplaatst naar Café Juffermans aan de Warmonderdam, alwaar de chef zijn bureau had aan de bar…..dat had wel iets moet ik zeggen.

In 1957 ging ik in militaire dienst en kwam weer terug bij Velsen in 1959.

Van 1960 tot 1962 heb ik gewerkt bij aardewerkfabriek “De Drie Klokken” van Koen Jansen.

Ik heb thuis veel schilderwerk verricht voor een Gouds bedrijf.

Hierna ben ik voor mijzelf begonnen in Hillegom als “De Pottenbacker” en heb ook Velsen aardewerk verkocht in mijn winkel.

In de tussentijd heb ik ook vaak geschilderd voor Velsen (je had als schilder aardig wat bijbaantjes).

Ik heb bij Velsen met veel plezier gewerkt.


Op dit moment ben ik bezig met het opzetten van een expositie van mijn schilderwerk met het thema boerderijen.

(Informatie volgt….)


J. van der Luit.